
De kennisinstituten STOWA, Stichting RIONED en KWR Watercycle Research Institute gaan de komende jaren hun samenwerking intensiveren. De drie partijen spelen een belangrijke complementaire rol in de Nederlandse waterketen als het gaat om het oppervlaktewater- en afvalwaterbeheer, het stedelijk water- en rioleringsbeheer en de drinkwatervoorziening. De drie slaan de handen ineen en bundelen daar waar nuttig de krachten. Dit besluit sluit goed aan bij het Bestuursakkoord Water en de visie van het Top Team Water die beide de afgelopen weken werden gepresenteerd.
Binnen de doelstelling van het Bestuursakkoord Water past samenwerking en efficiëntere onderzoeksprogrammering. De drie partijen gaan dan ook in het kader van de visieontwikkeling rond het topgebied Water hun voorstel 'Slim sturen in de waterketen' gezamenlijk uitwerken. Centraal daarin staan aspecten als het ontwikkelen en toepassen van innovatieve technieken en het scheppen van kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven om over de landsgrenzen heen te ondernemen. Het voorstel positioneert de Nederlandse waterketen internationaal als een voorbeeld voor de effectieve en samenhangende wijze waarop in een dichtbevolkte delta de kwaliteit van het oppervlaktewater en het drinkwater permanent wordt bewaakt en gegarandeerd.
In het najaar van 2011 presenteren STOWA, Stichting RIONED en KWR, na overleg met de vanuit het Top Team Water aan te stellen 'Waterregisseur', hun gemeenschappelijke actieprogramma.
STOWA is de gemeenschappelijke onderzoeksorganisatie van de waterschappen die onderzoek programmeert en financiert op het gebied van het waterbeheer. Stichting RIONED is de koepelorganisatie voor stedelijk waterbeheer en riolering en KWR Watercycle Research Institute is het gemeenschappelijke onderzoeksinstituut van de Nederlandse drinkwaterbedrijven.
Informatie voor de pers
STOWA
Jacques Leenen, directeur
T 033 460 32 00
Stichting RIONED
Hugo Gastkemper, directeur
T 0318 631111
KWR Watercycle Research Institute
Wim van Vierssen, directeur
Hans Ruijgers, woordvoerder
M 06 2182 2812
W www.kwrwater.nlVraag: Waarom is samenwerking tussen waterbedrijven nodig?
Antwoord: “Alleen gezamenlijk kun je oplossingen bedenken voor toenemende problemen.”
Draai i n Nederland een kraan open, en er stroomt water uit dat tot het schoonste van de wereld behoort. Het is goedkoop en overal beschikbaar. Maar daar komt heel wat bij kijken. Waterbedrijven lopen tegen verschillende problemen aan, vertelt prof. dr. Wim van Vierssen, directeur van KWR Watercycle Research Institute in Nieuwegein. “De voorraden grondwater in de wereld raken uitgeput. Op sommige plaatsen is het grondwater al tot zo’n tien meter gezakt. En oppervlaktewater bevat allerlei stoffen die je er eerst uit moet halen. Bijvoorbeeld producten uit de cosmetica, die onder de douche van het lichaam afspoelen. Of resten van medicijnen, die met de ontlasting door het toilet worden gespoeld. Het is ingewikkeld om al die stoffen uit het water te halen.”
Nederland heeft veel kennis en ervaring op het gebied van drinkwater. Hier is de drinkwatersector goed en efficiënt georganiseerd. Dat is lang niet overal zo. Directeuren van drinkwaterbedrijven zien dat met eigen ogen tijdens werkbezoeken in het buitenland. “Zo waren we in 2009 in Barcelona, waar in de zomer van 2008 problemen waren geweest met de watervoorziening”, vertelt Van Vierssen. “In de haven had een boot gelegen vol met water dat Spanje had gekocht van Frankrijk. Water in een boot, in 2008! Dan zie je dat er nog veel aan de hand is in Europa. Lang niet alle systemen voldoen aan de eisen van deze tijd. Maar problemen zijn niet in één dag opgelost.”
Nederland heeft ook veel innovatieve bedrijven. Zij willen graag hun kennis exporteren. Dat gaat het beste als je met anderen samenwerkt. Daarom is met vier Europese instituten een netwerk gevormd: ARC (Aqua Research Collaboration). Het doel is om gezamenlijk kennis in Europa in te zetten.
Maar Europa is groot en kent veel verschillende gebieden met een eigen drinkwaterproblematiek. Zo hebben grote steden grote waterinstallaties die intensief worden gebruikt. En in streken die ontvolkt raken, kan een drinkwaternetwerk stil komen te liggen. Dat vraagt een gemeenschappelijke aanpak, verklaart Van Vierssen. “Hoe regel je bijvoorbeeld de watervoorziening naar een afgelegen plek waar zeven mensen wonen? Of wat doe je met een drinkwaternetwerk dat maar half gebruikt wordt? Tegelijkertijd worden de kwaliteitseisen in Europa steeds strenger.”
Specifieke mogelijkheden
Naast dorpen en steden zijn gebieden zoals industriegebieden en vliegvelden erg interessant. Die bieden vaak specifieke mogelijkheden. Een voorbeeld: “Fosfaat wordt schaars, maar je kunt het uit urine terugwinnen en weer in de landbouw gebruiken. Terugwinnen is het meest efficiënt op een plek waar veel mensen bij elkaar zijn. Een vliegveld is zo’n plek. Dat is dus bij uitstek een plaats voor deze recycling.”
Met de vier ARC-partners (in Spanje, Portugal, Duitsland en Noorwegen) wordt inmiddels gezamenlijk onderzoek gedaan. Het idee is dat niet iedereen voor zichzelf bezig is, maar dat taken worden verdeeld en de partijen doen waar zij het beste in zijn. Rond drinkwater zijn inmiddels drie grote Europese projecten opgestart. Het gaat niet alleen om onderzoek, maar ook om de toepassing van de resultaten daarvan. Dat laatste is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van partijen, vindt Van Vierssen. “Het gaat immers over iets heel basaals als de volksgezondheid. Dat is geen sector voor competitie. Oplossingen moeten goed zijn en partijen zoals technologiebedrijven, kennisinstellingen en gebruikers moeten willen samenwerken. Dan kun je iets bereiken.”
De eerste stappen voor internationale samenwerking zijn dus gezet. “Maar”, zegt Van Vierssen er meteen bij, “we kunnen en willen met vijf instituten niet alle kennis in Europa regelen. In heel Europa zijn misschien wel veertigduizend bedrijfjes bezig met de waterketen. Vaak zijn dat kleine bedrijven die heel lokaal werken. Daarom stimuleren we gezamenlijke onderzoeksprogramma’s met lokale onderzoeksinstituten. Dat is nodig, want de problemen zullen toenemen, niet in de laatste plaats door de klimaatsverandering. Alleen door samenwerking kan je daarvoor oplossingen bedenken.”